donderdag 11 juni 2015

Graven in het verleden

In een artikel wat ik jaren geleden las stond een advertentie voor een archeologisch kamp. Daar ben ik heen gegaan, en sinds dien ben ik geïnteresseerd in archeologie. Daarom ben ik op iemand afgestapt die vroeger lid was van een archeologieclub en vele jaren meegedaan heeft met opgravingen. Daarnaast was hij leraar geschiedenis op een school in Noord-Brabant.

Ik had van uw zoon gehoord dat u vaak archeologische projecten organiseerde, en dat u met een groep meerdere dagen bij een opgraving mocht kijken of helpen. Klopt dit?
 Mijn Belgische collega geschiedenis heeft in 1976 op onze middelbare school een archeologieclub opgericht en die bestaat nog altijd. Hoogtepunt was de jaarlijkse opgraving.

Vanuit wat voor organisatie werd zo'n hele opgraving opgezet en uitgevoerd?
 Die opgravingscampagne werd altijd in België gehouden omdat het hoofd van de Belgische Nationale Archeologiedienst o.l.v. prof. de Boe ons daar elk jaar de gelegenheid toe bood.

Wie gingen er meestal mee met zo'n project? Wat voor type mensen?
Dit waren leerlingen van onze school, en later oudleerlingen die al jaren meegingen, tegenwoordig ook hun kinderen. Je moest wel op 4/5 havo of op 4/5/6 vwo zitten. Je moest natuurlijk belangstelling hebben voor archeologie; in de loop van het jaar moest je een cursus volgen bij mijn collega of actief willen zijn bij werkzaamheden van de club. Verder moest je physiek in staat zijn om in de hete zon te spitten en kuilen te graven, zand versjouwen. En je moest wel sociaal in een groep kunnen functioneren.

Hoe vaak kwamen deze projecten voor?
De opgraving in België was één keer per jaar in de grote vakantie. Het project duurde dan 3 weken. Het eerste jaar mocht je maar voor 1 week inschrijven, later voor meer weken. De cursus in de loop van het jaar was in het begin van het schooljaar wekelijks, later werd dat wat minder. Maar ook in het lopende jaar werd onze club ingeschakeld bij projecten in de buurt: Weert, Nederweert, Cranendonck. En er werden excursies gemaakt (en feestjes gehouden).

Waar gingen jullie dan heen?
We gingen dus naar België, meestal Vlaanderen. Daar waar de Belgische Archeologiedienst een opgraving aan het uitvoeren was onder leiding van een plaatselijke officiële archeoloog. Ze konden onze hulp goed gebruiken want behalve dat wij met een groep van 60 man drie weken kwamen helpen, werden we ook elk jaar professioneler: we leerden profielen maken, intekenen, opmeten, schoonmaken, vakkundig inpakken, zaken in de computer inbrengen, etc.

Wat gingen jullie daar dan doen? Waren er nog dingen die direct aan het kamp voorafgingen?
Van te voren gingen we kennismaken met de plaatselijke leiding. We kregen informatie over de opgraving die al gedaan was en wat er verwacht werd van ons. Soms kwam zo iemand ook van te voren op school vertellen over de opgraving. Het interessante was dat we het ene jaar in de romeinse tijd bezig waren, het andere jaar in  de ijzertijd, of in een middeleeuwse haven. Van te voren moest er ter plekke gezocht worden naar een goed kampterrein. De plaatselijke winkels bekijken en afspraken maken voor excursies. De opbouwploeg zette enkele dagen van te voren een grote tent met tafels en stoelen en verlichting op (eigendom via de school van de club!). Wc’s werden gegraven, een vuurstookplaats gebouwd en plekken uitgezet waar de kleine privétentjes moesten komen. Een keuken en een afwasruimte werd aangelegd. Watertoevoer en electriciteit geregeld. Verder nog wat sportmogelijkheden uitgezet. Je ziet: flink wat werk, de eerste jaren werd dit gedaan door ouders later konden onze eigen oudere leden het zelf.

Gingen de deelnemers zelf ook graven?
Ja, iedereen groef of was met archeologie bezig. Later kwamen er wel leden die zich ontpopten als bekwame koks en inkopers.

Hoe zag zo'n projectdag er dan uit?
Twee keer per dag naar het opgravingsterrein. De rest van de dag was het kampleven. In het weekend werd er gewisseld: er kwamen mensen bij en er gingen mensen weg. We maakte uitstapjes. We organiseerden een feest voor de buurt op ons terrein en elk jaar werd er ook een varken aan het spit gebraden. Soms kwam er een geleerde een lezing geven ‘s avonds. Iedereen groef maar op den duur waren er natuurlijk leden die zeer bekwaam waren in meer specialistisch archeologiewerk. Een officicieel verslag van de opgraving maakte de dienst zelf en bespraken wij wel op school.

Wat vond u het leukste dat er ooit is gevonden door uw groep?
De belangrijkste vondst – en dat moesten beginnelingen leren waarderen - was de bijdrage aan de geschiedenis van zo’n plek en daardoor van een geschiedenistijdperk. Dat is belangrijker dan dingen. Dus maakte men prachtige profielen horizontaal en verticaal. Zo zagen we na drie weken een romeinse tempel verschijnen of een middeleeuwse aanlegsteiger in de haven of een 17e eeuws slagveld vol paardengeraamtes. Natuurlijk was het dan ook nog erg leuk als iemand en romeinse pot bijna intact uit de grond wist te halen.

Wat was het leukste dat u met uw groep heeft gedaan?
Het leukst was toch de opgraving die onze club geheel zelfstandig heeft uitgevoerd midden in Weert. Daar hebben we een turfput opgegraven. De turfblokken en het schoentje en het gouden mesje liggen in het plaatselijk museum.

Was er voorbereiding nodig voor ze aan het project mee konden doen? Zo ja, wat voor?
Elk jaar werd op 4 havo en 4 vwo een propagandales gegeven tijdens de geschiedenislessen. Maar we organiseerden op school exposities over de opgravingen (ook bij de open dag). Verder is later op 2 vwo een les Antieke Kultuur in het rooster ingevoerd. Een deel van het jaar deed dat de leraar klassieke talen en het andere deel mijn collega die dan een echte kursus archeologie kon inbouwen, welke bij veel leerlingen en ouders zeer gewaardeerd werden. Een grote tentoonstelling “Steek je kop eens in het zand” hebben we georganiseerd voor alle groepen 8 van de basisscholen in de buurt. Die tentoonstelling kreeg een Limburgse prijs en is later uitgeleend aan andere plaatsen.

Heeft u nog tips voor mensen met een interesse in archeologie om mee te doen aan zo'n project?
Er is een Mederlandse vereniging voor scholieren die aan archeologie willen doen. Vroeger was dat een nogal saaie club waar de leerlingen-leden weinig zelfstandig werk mochten doen. Of dat nog zo is, weet ik niet. Via internet zullen er wel adressen te vinden zijn.

De geïnterviewde wenst zijn naam niet genoemd te hebben, aangezien hij liever niet online makkelijk vindbaar is. Dit respecteer ik, en daarom staat deze naam er niet bij.

dinsdag 2 juni 2015

Het Finse systeem vergroot het probleem

In het NRC Handelsblad van 24 mei stond het artikel "Wij willen les van slimme en coole leraren,niet van 'zesjes'" 
Hierin werd genoemd dat het merendeel van de leraren niet goed les geeft, en dat Nederland hier iets aan moet doen. De oplossing van de schrijver was om het Finse systeem over te nemen, wat inhoudt dat alleen de allerbeste leerlingen leraar mogen worden. De schrijver beargumenteert dat de mentaliteit van mensen tegenover leraren zal veranderen. In deze brief leg ik uit waarom ik niet denk dat dit een goede oplossing zou zijn.

Ten eerste moeten we ons concentreren wat het probleem nou precies is. We hebben niet genoeg leraren, en van de leraren die er wel zijn is maar een klein deel echt goed. Als we het Finse systeem zouden invoeren betekent dat dus dat we eerst het merendeel van de leraren moeten ontslaan, waardoor er nog maar weinig overblijven, en deze mensen kunnen dan maar heel geleidelijk worden aangevuld, aangezien er niet veel mensen leraar worden.
Hierdoor zouden er dan maar heel weinig leraren overblijven. Hoe goed ze ook zijn, als één leraar in zijn eentje een halve school moet lesgeven dan wordt hij overspannen en dan heb je er ook niets meer aan.

Daarnaast is het zo dat de eerste jaren dit stelsel niet zal werken. Een groot deel van de aankomend-leraren zal uit de lerarenstudie worden gezet. Daarnaast is het zo dat lang niet alle goede leerlingen die nu van de middelbare  school afkomen leraar willen worden. Hun ambities kunnen heel ergens anders liggen. Er is maar een vrij selecte groep leerlingen die leraar wil worden, en die wordt nu nog kleiner gemaakt, totdat er misschien nog maar 10 leerlingen per jaar een lerarenstudie gaan doen. Hierdoor zal het probleem wat je hebt als je 75% van de leraren ontslaat nog lang niet worden opgelost.

Ten slotte is het zo dat de meeste mensen geen studie en baan kiezen omdat dit zo'n gerespecteerde en goedbetaalde baan is. De meeste mensen kiezen een beroep omdat dat altijd al hun passie is geweest of omdat ze het leuk vinden. Dit betekent dus dat de situatie die in het vorige punt is genoemd aan blijft houden, en niet verandert tot de hele mentaliteit van de mens is veranderd, wat waarschijnlijk niet gebeurt binnen deze 1000 jaar. 

Uiteindelijk kunnen we dus constateren dat het invoeren van het Finse systeem misschien op korte termijn het probleem van de slechte leraren oplost, maar het probleem dat er te weinig leraren zijn wordt alleen maar erger, en lost ook niet op na lange tijd. 
Hierom denk ik dus dat we dit niet moeten doen en in plaats hiervan eraan moeten werken de lerarenopleiding beter te maken, zodat nieuwe leraren beter geschoold aan de slag kunnen.